Zand

De trage golven van het kanaal klotsen over de stalen rand van het schip, zó diep ligt het in het water. Bijna dagelijks gaan er nu ladingen grijs zand over het Noord-Hollands kanaal; misschien vanwege de nieuwe brug die er gebouwd wordt.

Op de ochtend van 5 mei is het stil langs het water. Mijn fiets piept, het schip klotst en de schipper kijkt vanuit zijn stuurhut naar twee grauwe ganzen die op zijn lading zand zitten. Elk op een eigen berg. Op het moment dat de stilte me opvalt, vliegt één gans luid gakkend op, maakt een duikvlucht richting de ander en wiekt luidruchtig weg richting de palen van de brug in aanbouw. De tweede gans volgt met dezelfde geluiden.

De schipper heeft mij niet gezien, maar samen kijken we de vogels na. Dat is ook een soort ontmoeting.

Rolkoffers

No photos, just buy the cheese.

Op de Nieuwmarkt worden ’s ochtends de eerste marktkraampjes opgebouwd. Eén is er van de kaasboer, die voor mijn gevoel altijd precies dezelfde kaas op dezelfde plaats heeft liggen. Naast die hele en halve schijven een waarschuwingsbordje over het nemen van foto’s.

Kennelijk was de overlast van fotograferende, geen kaas kopende toeristen zo groot, dat er een bordje nodig was. Hoe zou een toerist dit zien? Vindt hij het ‘eerlijk en rechtdoorzee’, ‘echt Nederlands’? Of gewoon lomp?

Hetzelfde vraag ik me op de pont soms af. Als ik rond zes uur op een overvolle pont terug naar Amsterdam-Noord vaar, staat er altijd wel een groepje met rolkoffers en rugzakken. Hoe kijken zij naar de menigte duwende fietsers en te veel gas gevende brommers?

Ervaren ze daar het echte Amsterdam? Vertellen ze thuis dat het zo’n goede beslissing was om een hotel buiten het centrum te boeken? Of kijken ze naar de geïrriteerde gezichten van de fietsforenzen om hen heen, de grauwe wolken boven het IJ en de hijskranen aan de overkant, en zijn ze blij dat ze over drie dagen met hun rolkoffers de omgekeerde weg gaan en terug naar huis vliegen?

Golftas

Een man met een golftas stak de trambaan over. Met zijn lange jas, grijze haren en de golfclubs die alle kanten op staken, zag hij er precies zo uit als hij eruit moest zien. Totdat ik zag dat er op de stoep waar de man vandaan kwam, twee kleine blonde kindertjes stonden te wachten.

De man legde rustig zijn tas in de auto aan de overkant, keek links en rechts en stak vervolgens opnieuw over. De kleinste van de twee, een jongetje, juichte. Het iets oudere meisje keek kritisch. Hun vader/opa/oom zei iets, gaf het jongetje een aai en keek om zich heen. Zijn houding had iets ongeduldigs.

Niet veel later naderde er een blonde vrouw met een bakfiets. Qua leeftijd zat ze precies tussen de kinderen en de man in. Het jongetje klom op een muurtje om naar haar te zwaaien en om, niet veel later, zelf in de bakfiets te klimmen. Het meisje ging achterop, haar kritische blik ontspande een beetje. Een kort afscheid – geen zoen – van de man en weg fietsten ze. De stoep af, Amsterdam in.

De man stak voor de derde keer over, zijn gezicht kon ik precies zien. Geen spoor van opluchting of verdriet: hij leek de kinderen al vergeten. Zijn hoofd was bij zijn golftas.

Opstijgen

Een klappend geluid wekte me vanochtend uit mijn slaperige fietsritme. Het leek alsof iemand kort na elkaar met vlakke hand op een hard oppervlak sloeg. Het was een zwaan. Met grote vleugelslagen vloog hij vlak over het Noordhollandsch Kanaal links van mij. De punten van zijn vleugels maakten telkens op hun laagste punt twee identieke kringen in het verder gladde water.

Mijn fiets piepte af en toe, verder was het stil. Uit mijn mond kwamen ademwolkjes terwijl de zwaan mij inhaalde, hoogte won bij de sluis en weg zweefde over mensen in auto’s, op fietsen, in schepen en te voet op weg naar hun werk. Wit tegen de ochtendblauwe lucht, los van alles.

Huilend

Vandaag zag ik twee meisjes huilen. Eén op de heenweg, zittend op een overvolle veerpont, en één op de terugweg, mij tegemoet fietsend. Moet je iets doen op zo’n moment?

Iemand troosten die je niet kent is moeilijk, en gek genoeg nog moeilijker als er veel mensen omheen staan. Het meisje op de pont leek onbenaderbaar – want anoniem tussen de vele mensen. Waren we met zijn tweeën geweest, dan had ik misschien gevraagd wat er was. Hoewel ze ook daar vast niet op had zitten wachten.

Huilen in het openbaar kan heel onoprecht lijken: alsof de tranen expres in het blikveld van andere mensen worden vergoten. Maar deze meisjes waren zich niet eens bewust van hun omgeving – alle aandacht gericht op dat ene, grote verdriet.

Ik stel me voor hoe het fietsende meisje net van haar stukgelopen relatie is vertrokken, straks intens verdrietig haar studentenkamer binnengaat en zich in het donker voorover op haar bed laat vallen. Intussen fiets ik door naar huis, heel even ook bedroefd.

 

Onnodig

Angst bestaat vaak alleen in je hoofd. Er is vast onderzoek gedaan waaruit blijkt dat angst in meer dan de helft van de gevallen niet realistisch is (wie ‘irrational fear’ googlet, krijgt in elk geval heel veel hits). Als ik ’s ochtends in het half donker een bocht maak op het natte wegdek, probeer ik niet over de witte vlakken te rijden. In mijn hoofd zijn die gladder dan de rest van het asfalt. Bedenk ik dat aan het begin van mijn fietstocht, dan ben ik de rest van de route banger om uit te glijden in een snel genomen bocht.

Op andere dagen ben ik te slaperig of te veel in gedachten om me druk te maken om vlakken op de weg. Dan valt het me hooguit op dat ik sneller dan de dag ervoor de pont bereikt heb. Neem ik op die dagen meer risico? Het zou me niet verbazen, als ik op de dagen dat ik nadenk over onderuitglijdende fietsers die overreden worden door aanstormende vuilniswagens juist gevaarlijker fiets. De ingebeelde angst maakt dat mijn lichaam en brein verkrampen, waarmee het gevaar groter wordt (en dus de angst eigenlijk alsnog terecht is).

Eenmaal aan de overkant is het centrum van Amsterdam zo vol met stimuli en boze /irritante /onhandige /onoplettende medeweggebruikers, dat er überhaupt geen tijd is om na te denken over gladde, witte vlakken op de weg.

Ik ben verhuisd, dus de route is anders. De eerste helft van m’n route zie je hier.

Verlaten tafels

Elke ochtend las de man in het ongestreken overhemd zijn krant op het terras. Café De Groene Olifant heeft brede houten banken en als ik naar mijn werk fietste zat meestal alleen hij er. ’s Middags was het er vol. Stelletjes die een tosti deelden, toeristen die het bier uitprobeerden en gepensioneerden die net hun derde glas rode wijn bestelden. Nu niet meer.

Met de geler wordende bladeren worden de terrassen langs mijn fietsroute leger. De verlaten tafeltjes kondigen aan dat er weer een zomer om is, nog voordat de herfst zelf dat doet. Het geeft me een onbestemd verdrietig gevoel: het begin van de herfst maakt van alle seizoenen het meest duidelijk dat de tijd verstrijkt.

Toch fiets ik graag met een warme trui aan door kouder wordend Amsterdam. Meisjes met wollen sjaals om en hardlopers die wolken blazen zijn voorbodes van feestdagen, sneeuwvlokken en winterzon die weerspiegelt in het ijs op de Amstel.

Er zijn mensen die elke ochtend langs bomen, straten en grachten fietsen, maar helemaal nooit stilstaan bij de seizoenen. Alsof het voorbijglijden van de tijd hen niet eens opvalt. Dan ben ik liever onbestemd verdrietig,